Hoe sterk is het bewijs voor puberteitsremmers eigenlijk?
Systematische literatuurstudies uit Engeland, Zweden en Finland komen tot dezelfde conclusie: het bewijs dat puberteitsremmers kinderen met genderdysforie helpen is van lage tot zeer lage kwaliteit. Toch worden ze nog steeds voorgeschreven.

De gouden standaard ontbreekt
In de geneeskunde geldt: hoe ingrijpender de behandeling, hoe sterker het bewijs moet zijn. Voor puberteitsremmers bij genderdysforie is er geen enkele gerandomiseerde gecontroleerde studie. Wat er wél is, zijn kleine observationele studies zonder controlegroep, met korte follow-up en veel uitval.
Drie landen, dezelfde conclusie
Onafhankelijk van elkaar lieten drie landen systematische reviews uitvoeren:
- Engeland (NICE, 2020): de kwaliteit van het bewijs voor puberteitsremmers is 'very low certainty' op alle uitkomstmaten.
- Zweden (SBU, 2022): onvoldoende bewijs om de effecten op psychische gezondheid, cognitie of botdichtheid te beoordelen; de Karolinska-kliniek stopte al in 2021 met voorschrijven buiten studieverband.
- Finland (COHERE/Palveluvalikoima, 2020): psychosociale hulp hoort de eerste behandeling te zijn; medische interventies zijn experimenteel.
Het Dutch protocol onder de loep
De hele praktijk is terug te voeren op de Nederlandse studies van De Vries en collega's (2011, 2014): 55 zorgvuldig geselecteerde jongeren met genderdysforie vanaf de vroege kindertijd, stabiele gezinnen, geen zware psychische comorbiditeit. Zelfs binnen die groep waren de gemeten verbeteringen bescheiden, en één deelnemer overleed aan complicaties van de vaginoplastiek. De huidige instroom — overwegend tienermeisjes met een laat ontstane genderdysforie en veel bijkomende problematiek — lijkt in niets op die oorspronkelijke groep. Resultaten uit de ene populatie worden dus toegepast op een totaal andere.
Wat zou deugdelijk bewijs vergen?
Critici van de reviews werpen tegen dat gerandomiseerd onderzoek hier 'onethisch' zou zijn. Maar de geneeskunde kent daarvoor beproefde oplossingen: gefaseerde toelating binnen onderzoeksprotocollen, langdurige registratie van álle behandelde kinderen, vergelijking met wachtlijst- en therapiegroepen, en onafhankelijke monitoring van bijwerkingen. Precies dat is wat Engeland nu doet: puberteitsremmers alleen nog binnen een klinische studie. Wie zegt dat zulk onderzoek onmogelijk is, zegt eigenlijk dat de behandeling permanent onbewezen mag blijven — een standaard die we bij geen enkel ander medicijn voor kinderen accepteren.
Waarom gaat het dan door?
Beroepsverenigingen als WPATH presenteren hun richtlijnen als wetenschappelijke consensus, maar interne documenten die in 2024 naar buiten kwamen laten zien dat ook binnen die organisatie grote twijfel bestaat over de bewijsbasis en over de vraag of minderjarigen de gevolgen kunnen overzien. Wie kritische vragen stelt, krijgt al snel het verwijt 'transgenderzorg te willen afpakken'. Maar vragen om deugdelijk bewijs is geen aanval op patiënten — het is de kern van goede geneeskunde.
De Nederlandse evaluatie die er niet kwam
De Tweede Kamer vroeg in 2022 om onderzoek naar de explosieve stijging van het aantal aanmeldingen bij Nederlandse genderklinieken. Dat onderzoek kwam er, maar een onafhankelijke evaluatie van de behandelpraktijk zelf — naar Brits, Zweeds of Fins model — ontbreekt tot op heden. Zolang die er niet is, vaart Nederland op studies van eigen bodem die internationaal juist het middelpunt van de discussie vormen. Een land dat het protocol uitvond, zou ook voorop moeten lopen in de kritische toetsing ervan.