23 juli 2026
2,7 miljoen LHBTQIA-Nederlanders: hoe het CBS statistiek tot propaganda maakt
Het Centraal Bureau voor de Statistiek claimt dat 2,7 miljoen Nederlanders LHBTQIA+ zijn — ruim 15 procent van de bevolking. Dat getal wordt kritiekloos overgenomen als beleidsfeit, maar het ontstaat door methodologische keuzes die alles bepalen en die zorgvuldig uit het zicht worden gehouden.

Het getal: 2,7 miljoen LHBTQIA-personen in Nederland
In oktober 2024 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek een opvallend cijfer: Nederland telt 2,7 miljoen mensen die zichzelf identificeren als LHBTQIA+. Bij een totale bevolking van ruim 17,9 miljoen mensen is dat meer dan 15 procent. Het nieuws werd breed opgepikt door media, politici en belangenorganisaties, en vrijwel altijd zonder kritische noot. Het CBS is immers het CBS — een gezaghebbende overheidsinstelling die nuchter feiten presenteert.
Maar is dit een feit? Of is het een getal dat ontstaat door een reeks methodologische keuzes die volledig onzichtbaar blijven zodra je alleen de kop leest?
Wat telt het CBS eigenlijk?
Het acroniem LHBTQIA+ staat voor Lesbisch, Homoseksueel, Biseksueel, Transgender, Queer, Intersekse, Aseksueel — plus een plusje voor alles wat niet in de vorige letters past. Dat klinkt als één herkenbare gemeenschap, maar het gaat in werkelijkheid om heel verschillende dimensies die op één hoop worden gegooid.
- L, H en B gaan over seksuele aantrekking tot mensen van hetzelfde of beide geslachten.
- T gaat over genderidentiteit — of iemand zich identificeert als het andere geslacht of als geen van beide.
- Q ('queer') is een brede, diffuse categorie die van alles kan betekenen: afwijken van heteroseksuele normen, politieke betrokkenheid rond seksuele diversiteit, of simpelweg 'anders voelen dan de norm'.
- I staat voor intersekse: mensen met aangeboren variaties in geslachtskenmerken. Dit is een lichamelijke toestand, geen seksuele oriëntatie of genderidentiteit.
- A staat voor aseksueel: weinig tot geen seksuele aantrekking. Ook dit heeft niets te maken met sekse of genderidentiteit in de zin waarop de rest van het acroniem dat heeft.
Door al deze categorieën samen te nemen en mensen te vragen of zij zichzelf als LHBTQIA+ beschouwen, meet je geen afgebakende populatie maar een optelsom van sterk verschillende zelfidentificaties. Het getal 2,7 miljoen is daarmee niet zozeer een meting van iets bestaands, als wel een rechtstreeks gevolg van hoe breed je de definitie trekt.
Het intersekse-probleem
Neem alleen al de letter I. Intersekse-variaties — zoals chromosoomafwijkingen, atypische hormoonniveaus of anatomische variaties — worden door sommige onderzoekers geschat op 1,7 procent van de bevolking. Dat cijfer is afkomstig van de Amerikaanse bioloog Anne Fausto-Sterling uit 2000 en wordt sindsdien breed geciteerd. Maar het is ook diep omstreden: het hanteert een uitzonderlijk brede definitie die ook mensen meetelt die zelf nooit weten dat zij een variatie hebben en er geen enkele hinder van ondervinden. Meer restrictieve medische definities komen op 0,018 tot 0,05 procent. Het verschil: een factor honderd.
Bovendien identificeert een aanzienlijk deel van de intersekse-personen zich helemaal niet als onderdeel van de LHBTQ-gemeenschap en heeft ook geen behoefte aan die classificatie. Hen onderbrengen in hetzelfde totaalcijfer is een politieke keuze, geen neutrale statistiek.
Vergelijking met andere landen
In de Verenigde Staten voert Gallup al jaren breed bevolkingsonderzoek uit naar LGBT+-identificatie. In 2023 — een recordjaar — identificeerde 7,6 procent van de Amerikaanse volwassenen zichzelf als LGBT+. In de meeste West-Europese landen komen vergelijkbare surveys uit op 4 tot 7 procent. Zelfs als je rekening houdt met culturele en methodologische verschillen: Nederland op 15 procent is een extreme uitbijter die om uitleg vraagt.
Die uitleg ligt voor de hand: het CBS telt anders, en breder. Maar dat breed tellen heeft grote consequenties voor hoe het getal gelezen en ingezet wordt.
Waarom het getal ertoe doet
Cijfers zijn nooit neutraal, zeker niet als ze afkomstig zijn van een instituut als het CBS. Een getal van 2,7 miljoen LHBTQIA-Nederlanders heeft directe politieke werking. Het geeft gewicht aan beleidsargumenten over de omvang van discriminatie, de noodzaak van specifieke zorg, de schaalgrootte van voorzieningen en de prioritering van budgetten. Hoe groter de groep, hoe urgenter de agenda — en hoe moeilijker het is om vragen te stellen zonder verdacht te worden van vijandigheid jegens de groep zelf.
Dat mechanisme is precies wat deze statistiek zo effectief maakt als politiek instrument. Wie het getal bekritiseert, bekritiseert ogenschijnlijk de mensen die erachter schuilen. Maar wie de methodologie bekritiseert, bekritiseert een keuze die het CBS zelf heeft gemaakt — en die transparant had moeten zijn.
Wat zegt de wetenschap over dit soort metingen?
Bevolkingsonderzoeken naar seksuele oriëntatie en genderidentiteit zijn notoir lastig. Definitieproblemen, sociale wenselijkheid, sterke leeftijdseffecten (jongere generaties identificeren zich veel vaker als LGBT), en de toenemende politisering van zelfidentificatie-categorieën maken betrouwbare metingen moeilijk. Serieuze onderzoekers benadrukken dan ook dat getallen als deze altijd contextueel zijn: zij meten niet hoe groot een groep 'is', maar hoeveel mensen op een specifiek moment, op een specifieke vraag, op een specifieke manier antwoorden.
Het CBS presenteerde zijn conclusie met een persbericht dat media direct konden overnemen: een groot, concreet getal, klaar voor de kop. Achter dat getal schuilt een methodologie die elke statistisch onderlegde journalist had moeten bevragen. Dat is grotendeels niet gebeurd.
Conclusie: het getal als instrument
Niemand betwist dat lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen volwaardige burgers zijn die recht hebben op gelijke behandeling en goede zorg. Dat staat volledig los van de vraag of 15 procent van de Nederlandse bevolking in enige betekenisvolle zin LHBTQIA+ is.
Wanneer een statistisch bureau een getal produceert dat alleen begrijpelijk wordt als je de definitiekeuzes ontrafelt, en wanneer dat getal vervolgens kritiekloos wordt overgenomen als argument in beleidsdebat, is er sprake van institutionele propaganda. Niet noodzakelijk uit kwade wil, maar uit het samenvallen van politieke wenselijkheid en methodologische vrijgevigheid. Juist omdat het CBS gezag heeft, is transparantie over zulke keuzes geen luxe maar een verplichting. Die verplichting is hier niet nagekomen.