Wetenschap

23 juli 2026

2,7 miljoen LHBTQIA-Nederlanders: hoe het CBS statistiek tot propaganda maakt

Het CBS schat dat 2,7 miljoen Nederlanders van 15 jaar en ouder LHBTQIA zijn, 18 procent. Niemand werd gevraagd of hij zich zo noemt: het getal is een optelsom van drie enquêtevragen over aantrekking, genderidentiteit en intersekse, met beperkingen die het CBS zelf noemt maar die niet in de kop staan.

2,7 miljoen LHBTQIA-Nederlanders: hoe het CBS statistiek tot propaganda maakt

Het getal: 2,7 miljoen LHBTQIA-personen in Nederland

Op 11 oktober 2024, Coming Out Day, publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het eerst een schatting van het aantal LHBTQIA-personen in Nederland: ongeveer 2,7 miljoen, ofwel 18 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder (bron). Het CBS is een gezaghebbende overheidsinstelling, en een cijfer van het CBS wordt al snel gelezen als een nuchter, vaststaand feit.

Maar is dit een feit? Of is het een getal dat ontstaat door een reeks methodologische keuzes die volledig onzichtbaar blijven zodra je alleen de kop leest?

Wat telt het CBS eigenlijk?

Het CBS schrijft het acroniem LHBTQIA uit als lesbisch, homoseksueel, bi-plus, transgender, queer, intersekse en aseksueel (bron). Dat klinkt als één herkenbare gemeenschap, maar het gaat om heel verschillende dimensies die op één hoop worden gegooid.

  • L, H en B gaan over seksuele aantrekking tot mensen van hetzelfde geslacht of van meer dan één geslacht.
  • T gaat over genderidentiteit: of iemand zich identificeert als het andere geslacht of als geen van beide.
  • Q ('queer') is een brede, diffuse categorie die van alles kan betekenen. Het CBS meet deze categorie niet apart.
  • I staat voor intersekse: mensen met aangeboren variaties in geslachtskenmerken. Dit is een lichamelijke toestand, geen seksuele oriëntatie of genderidentiteit.
  • A staat voor aseksueel: weinig tot geen seksuele aantrekking.

Het CBS heeft niemand gevraagd of hij zichzelf LHBTQIA vindt. De cijfers komen uit de Veiligheidsmonitor 2023, een enquête over veiligheid en criminaliteit onder ruim 182.000 mensen van 15 jaar en ouder, waarin ook vragen stonden over seksuele aantrekking, genderidentiteit en intersekse. Wie op minstens één van die drie punten afwijkt, dus niet-heteroseksueel, transgender of non-binair/genderqueer (NBGQ), of intersekse is, telt het CBS als LHBTQIA (bron). Zo komt het CBS op 2,5 miljoen mensen met een niet-heteroseksuele oriëntatie, van wie 1,7 miljoen bi-plus, op 151.000 transgender- en NBGQ-personen en op 45.000 mensen die zeggen intersekse te zijn (bron).

Het getal 2,7 miljoen is daarmee een optelsom van sterk verschillende kenmerken, en de omvang hangt rechtstreeks af van hoe breed de vragen en de indeling zijn. Het CBS schrijft zelf dat deze indeling waarschijnlijk mensen in een categorie plaatst waarin zij zichzelf niet zouden indelen, en dat wie zich '(bijna) niet' seksueel aangetrokken voelt als aseksueel wordt geteld, ook als hij zich niet zo noemt (bron).

Het intersekse-probleem

Neem de letter I. Het CBS vroeg simpelweg 'Bent u intersekse?', met als antwoorden ja, nee en weet ik niet, en kwam zo op ongeveer 45.000 mensen: 0,3 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder. Het CBS erkent zelf dat die vraag mogelijk te complex of onduidelijk was en dat de schattingen in de literatuur sterk uiteenlopen (bron).

Dat laatste is zacht uitgedrukt. Het veelgeciteerde cijfer van 1,7 procent is afkomstig van Anne Fausto-Sterling. Leonard Sax wees er in 2002 op dat dit cijfer aandoeningen meetelt die de meeste artsen niet als intersekse beschouwen, zoals het syndroom van Klinefelter, het syndroom van Turner en late-onset adrenale hyperplasie. Met een strengere definitie, waarbij het chromosomale geslacht niet overeenkomt met het uiterlijk of het uiterlijk niet als man of vrouw te classificeren is, komt hij uit op ongeveer 0,018 procent: bijna honderd keer minder (bron).

Wie in de CBS-indeling intersekse is, telt bovendien automatisch als LHBTQIA, ongeacht seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Dat is een indelingskeuze, geen neutrale statistiek.

Vergelijking met andere cijfers

In de Verenigde Staten meet Gallup al jaren hoeveel volwassenen zich LGBTQ+ noemen. Over 2023 kwam dat uit op 7,6 procent, en bij volwassenen van generatie Z (18 tot 26 jaar) op meer dan een op de vijf (bron). Gallup vraagt naar zelfidentificatie, het CBS niet.

Ook binnen Nederland wijkt het CBS-cijfer sterk af. Het SCP schat het aandeel mensen met een niet-heteroseksuele oriëntatie op 5 tot 7 procent, het CBS op 17 procent. Bi+ Nederland schatte het aantal bi-plus personen op ongeveer 1 miljoen, het CBS komt op 1,7 miljoen. Het CBS verklaart die verschillen deels uit de ruimere antwoordmogelijkheden in zijn eigen vragenlijst (bron).

De uitleg ligt dus voor de hand: het CBS telt anders, en breder. Maar dat breed tellen heeft grote consequenties voor hoe het getal gelezen en ingezet wordt.

Waarom het getal ertoe doet

Cijfers zijn nooit neutraal, zeker niet als ze afkomstig zijn van een instituut als het CBS. Een getal van 2,7 miljoen LHBTQIA-Nederlanders heeft directe politieke werking. Het geeft gewicht aan beleidsargumenten over de omvang van discriminatie, de noodzaak van specifieke zorg, de schaalgrootte van voorzieningen en de prioritering van budgetten. Hoe groter de groep, hoe urgenter de agenda, en hoe moeilijker het is om vragen te stellen zonder verdacht te worden van vijandigheid jegens de groep zelf.

Dat mechanisme maakt deze statistiek zo bruikbaar als politiek instrument. Wie het getal bekritiseert, bekritiseert ogenschijnlijk de mensen die erachter schuilen. Maar wie de methodologie bekritiseert, bekritiseert keuzes die het CBS zelf heeft gemaakt en zelf toelicht.

De beperkingen die het CBS zelf noemt

Het CBS somt in zijn achtergrondartikel een reeks zwakke punten op. Ongeveer twee derde van de ruim 500.000 benaderde mensen deed niet mee, en het is onbekend hoe LHBTQIA-personen onder hen vertegenwoordigd zijn. Ongeveer een op de acht deelnemers sloeg de vraag over seksuele aantrekking over. De weging gebeurt op het geslacht in de Basisregistratie Personen, dat kan afwijken van de genderidentiteit. En wie meer belangstelling heeft voor het thema veiligheid en criminaliteit, deed mogelijk eerder mee (bron). Ook de leeftijdsopbouw speelt mee: 19 procent van de LHBTQIA-personen is 15 tot en met 24 jaar oud, tegen 14 procent van de overige Nederlanders (bron).

Het CBS bracht het cijfer naar buiten met een nieuwsbericht onder de kop 'Nederland telt 2,7 miljoen LHBTQIA personen' (bron): een groot, concreet getal, klaar voor de kop. De kanttekeningen staan in het achtergrondartikel, niet in die kop.

Conclusie: het getal als instrument

Niemand betwist dat lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen volwaardige burgers zijn die recht hebben op gelijke behandeling en goede zorg. Dat staat volledig los van de vraag of 18 procent van de Nederlanders van 15 jaar en ouder in enige betekenisvolle zin LHBTQIA is.

Wanneer een statistisch bureau een getal produceert dat alleen begrijpelijk wordt als je de definitiekeuzes ontrafelt, en wanneer dat getal vervolgens zonder die keuzes wordt overgenomen als argument in het beleidsdebat, werkt het als propaganda. Niet noodzakelijk uit kwade wil, maar uit het samenvallen van politieke wenselijkheid en methodologische vrijgevigheid. Het CBS heeft zijn keuzes en de zwakke punten ervan wel beschreven, maar de kop van het nieuwsbericht gaf een rond getal zonder dat voorbehoud. Juist omdat het CBS gezag heeft, hoort het voorbehoud bij het getal te staan, en niet alleen in de toelichting.