17 juli 2026
Genderleer in de klas: voorlichting of ideologie?
Rutgers, organisator van de Week van de Lentekriebels, omschrijft genderidentiteit op zijn site voor leerkrachten als 'hoe je jezelf voelt', iets wat kan afwijken van het geslacht bij de geboorte. Dat is geen neutrale voorlichting maar een omstreden mensbeeld, en ouders mogen de school vragen wat er in de klas gebeurt.

Wat er in de les gebeurt
Relationele en seksuele vorming is via de kerndoelen een verplicht onderdeel van het basisonderwijs; scholen kiezen zelf welk lesmateriaal of welke lesmethode ze gebruiken (bron). Een belangrijke aanbieder is expertisecentrum seksualiteit Rutgers, dat samen met de GGD'en de Week van de Lentekriebels organiseert en daarvoor geld krijgt van het ministerie van VWS (bron). Op seksuelevorming.nl, de site van Rutgers voor onderwijsprofessionals, staat genderidentiteit omschreven als 'wie je bent en hoe je jezelf voelt. Dit kan vrouw, man, allebei of geen van beide zijn. Dit kan ook gedurende iemands leven veranderen.' Volgens dezelfde pagina worden kinderen vanaf ongeveer hun vijfde levensjaar 'bewust van hun eigen genderidentiteit en of dit past bij het geslacht dat hen bij geboorte is toegewezen' (bron).
Waarom dit geen neutrale voorlichting is
Dat mensen met genderdysforie bestaan en respect verdienen, is geen punt van discussie. Maar de stelling dat iedereen een genderidentiteit heeft die belangrijker is dan het geslacht van het lichaam, is een levensbeschouwelijke claim, geen wetenschappelijk feit. Rutgers omschrijft genderidentiteit zelf als 'hoe je jezelf voelt' (bron): een innerlijke beleving, geen lichamelijk kenmerk. Het is een mensbeeld uit de gendertheorie.
- Feitelijke voorlichting (voortplanting, puberteit, veiligheid, respect) hoort op school thuis.
- Een omstreden identiteitsleer als feit presenteren aan kinderen die nog volop in ontwikkeling zijn, is iets anders.
- Kinderen die niet in stereotiepe rollen passen, kunnen uit het lesmateriaal de conclusie trekken dat er iets mis is met hun líchaam. In een vervolgstudie van 77 kinderen die wegens genderdysforie naar een kliniek waren verwezen, was 43 procent na de puberteit niet meer genderdysforisch en 27 procent nog wel; de onderzoekers noemen homo- of biseksualiteit de meest waarschijnlijke uitkomst van genderdysforie in de kindertijd (bron). In een studie van 139 naar een kliniek verwezen jongens had 87,8 procent de genderdysforie later niet meer, en was 63,6 procent van wie gegevens beschikbaar waren in fantasieën aangetrokken tot mannen of tot beide seksen (bron).
Wat zegt de wet?
Scholen kiezen zelf welk lesmateriaal ze gebruiken, en dat is een groot goed. Wel moeten ze aan de kerndoelen voldoen, en de Inspectie van het Onderwijs controleert dat (bron). Kerndoel 38 voor het basisonderwijs zegt dat leerlingen 'leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit' (bron). Wélk mensbeeld daarbij hoort, schrijft het kerndoel niet voor. De burgerschapsopdracht in de Wet op het primair onderwijs vraagt kennis over en respect voor verschillen in onder meer godsdienst, levensovertuiging, geslacht en seksuele gerichtheid; genderidentiteit wordt daar niet genoemd (bron). De Rijksoverheid adviseert scholen ouders te informeren over de lessen relationele en seksuele vorming, bijvoorbeeld met een nieuwsbrief of ouderavond, en wijst ouders op de medezeggenschapsraad, die de keuze voor het lesmateriaal met de school kan bespreken (bron). Ouders staan dus sterker dan ze vaak denken.
De rol van ouders
Kritische vragen over een omstreden theorie zijn legitiem en horen bij een open samenleving. Concreet kunnen ouders: het lesmateriaal opvragen bij de school, vragen welke leerdoelen ermee gediend zijn, en bij de medezeggenschapsraad agenderen hoe de school omgaat met levensbeschouwelijk geladen materiaal. Rutgers en de GGD'en adviseren scholen zelf ook om ouders vooraf te laten weten hoe de school invulling geeft aan relationele en seksuele vorming (bron). Scholen die niets te verbergen hebben, hebben van zulke vragen niets te vrezen.
Wat wij bepleiten
Voorlichting over feiten, respect voor iedereen — inclusief kinderen met genderdysforie — en terughoudendheid met identiteitsleer in het curriculum. Laat de biologie aan de biologieles en het mensbeeld aan ouders en kinderen zelf. Zo blijft school een plek waar kinderen leren dénken, niet wat ze moeten vinden.