Wetenschap

27 augustus 2026

'Gendertwijfels bij jongeren zijn later vaak weg': wat de UMCG-studie wel en niet meet

Volgens UMCG-onderzoek in het TRAILS-cohort wilde 11 procent van de 11-jarigen van het andere geslacht zijn, tegen 4 procent rond hun 25ste; bij 19 procent nam die wens af, bij 2 procent nam hij toe. De studie meet één vragenlijstitem, geen genderdysforie. Wel laat zij zien dat gendertwijfel bij jonge tieners vaak voorbijgaat.

'Gendertwijfels bij jongeren zijn later vaak weg': wat de UMCG-studie wel en niet meet

Een geruststellende kop

Op 6 maart 2024 meldde het UMCG dat twijfels over gender bij jongeren op latere leeftijd vaak weg zijn (bron). Het nieuws werd onder meer opgepikt door de NOS, onder de kop "Gendertwijfels onder jongeren zijn normaal, verdwijnen vaak in de tienerjaren" (bron), en door het Reformatorisch Dagblad (bron). Wie de publicatie zelf leest, ziet dat de studie iets anders meet dan de koppen doen vermoeden, en dat de cijfers vragen oproepen over hoe snel er in de genderzorg op gendertwijfel bij jongeren wordt gereageerd.

Wat de studie meet

Het onderzoek is gepubliceerd in Archives of Sexual Behavior door Pien Rawee, Judith Rosmalen, Luuk Kalverdijk en Sarah Burke (bron). Het gebruikt data van 2.772 jongeren uit TRAILS, een langlopend Gronings cohortonderzoek waarvan de eerste metingen in 2001 en 2002 plaatsvonden. Het gaat om 2.229 jongeren uit de algemene bevolking en 543 uit een klinisch cohort van kinderen die via een kinderpsychiatrische polikliniek werden geworven (bron). Op zes meetmomenten, van ongeveer 11 tot ongeveer 25 jaar, werd gevraagd in hoeverre de deelnemers instemden met de stelling "Ik wil van het andere geslacht zijn" (bron). De uitkomsten:

  • Rond 11 jaar stemde 11 procent hiermee in.
  • Bij de laatste meting, rond 25 à 26 jaar, was dat 4 procent (bron).
  • 78 procent gaf nooit zo'n wens aan, bij 19 procent was de wens er in de vroege adolescentie en nam die daarna af, en bij 2 procent nam de wens juist toe (bron).
  • Slechts drie deelnemers, 0,1 procent, gaven vrijwel steeds aan van het andere geslacht te willen zijn; het UMCG schrijft "één op de duizend" (bron).

De groep bij wie de wens toenam, bestond vaker uit meisjes (bron). Burke wees er tegenover de NOS op dat aanmeldingen bij genderklinieken de afgelopen jaren eveneens verschoven richting meisjes (bron).

Eén vraag, geen diagnose

De studie meet met één vragenlijstitem wat de onderzoekers "gender non-contentedness" noemen: onvrede met het geslacht. Dat is niet hetzelfde als genderdysforie, en de auteurs maken dat onderscheid zelf (bron). Medeonderzoeker Luuk Kalverdijk zei tegen het Reformatorisch Dagblad dat je ook bij de één op de duizend met een stabiele wens niet kunt zeggen dat er sprake is van genderdysforie: "Bovendien hebben we maar één vraag over dit onderwerp gesteld" (bron).

De boodschap van het UMCG

Onderzoeker Sarah Burke vatte de bevindingen zo samen: "Het hoort bij de puberteit en de ontwikkeling om vragen en twijfels over je gender te hebben. Het is belangrijk dat we dit normaliseren." Volgens het UMCG kunnen de resultaten zorgverleners een beter beeld geven van de verschillende ontwikkelingspatronen van genderidentiteit (bron). In april 2024 schreef het UMCG, mede namens Radboudumc en Amsterdam UMC, aan de Tweede Kamer dat in het onderzoek niet naar genderdysforie werd gevraagd, en dat kinderen met gediagnosticeerde genderdysforie recht hebben op goede zorg (bron). De ziekenhuizen trokken de studie daarmee los van de vraag of de medische genderzorg voor jongeren werkt.

Wat de cijfers wel laten zien

Dat een wens om van het andere geslacht te zijn bij 11-jarigen vaak voorkomt en bij de meesten in de loop van de jaren afneemt, is zelf een belangrijk gegeven. Het laat zien dat zo'n uitspraak van een jonge tiener op zichzelf weinig voorspelt over hoe die tiener zich als volwassene zal voelen. Wie daaruit afleidt dat terughoudendheid en tijd nemen verstandig zijn voordat er onomkeerbare stappen worden gezet, trekt een conclusie die met deze cijfers goed te verenigen is. Tegelijk is er een kleine groep bij wie de wens juist toeneemt, en die groep vraagt om aandacht.

Psychische klachten en zelfbeeld

De studie vond dat zowel een afnemend als een toenemend verloop samenhing met een lager gevoel van eigenwaarde, meer gedrags- en emotionele problemen en een niet-heteroseksuele oriëntatie (bron). Het UMCG, de NOS en het Reformatorisch Dagblad noemden dat verband in hun berichten. Burke zei tegen de NOS dat ouders en psychologen daar alert op moeten zijn: "Als een kind twijfelt over de genderidentiteit, dan is er kans dat er meer speelt" (bron). Het gaat om een samenhang; de studie toont niet aan wat oorzaak en wat gevolg is.

Het probleem zit niet in de data, maar in hoe ze worden gelezen. Een studie naar één vragenlijstitem in de algemene bevolking zegt niets over genderdysforie of over behandeling, maar wel dat gendertwijfel bij jonge tieners vaak voorbijgaat. Dat is een gegeven dat in elk gesprek over vroege medische stappen thuishoort.

Mark Visser

Mark Visser

Redactie

Veelgestelde vragen

Betekent dit onderzoek dat gendertwijfels bij jongeren nooit serieus genomen hoeven te worden?

Nee. Bij de meeste jongeren die de wens uitten nam die met de leeftijd af, maar bij 2 procent nam hij juist toe, en de wens hing samen met meer psychische klachten en een lager zelfbeeld. Dat vraagt om aandacht en tijd, niet om negeren.

Hoeveel jongeren houden hun gendertwijfel vast tot in de volwassenheid?

Drie deelnemers, 0,1 procent (ongeveer één op de duizend), gaven vrijwel op elk meetmoment tussen ongeveer 11 en 25 jaar aan van het andere geslacht te willen zijn. Bij de laatste meting zei 4 procent die wens te hebben, en bij 2 procent was de wens in de loop van de jaren toegenomen.

Wat is TRAILS?

TRAILS is een langlopend Gronings onderzoek naar jongeren uit Noord-Nederland, met eerste metingen in 2001 en 2002 en daarna elke twee tot drie jaar een nieuwe meting. Deze studie gebruikte 2.772 deelnemers: 2.229 uit de algemene bevolking en 543 uit een klinisch cohort.