Factcheck

Slechts één procent heeft spijt van een geslachtsoperatie

Oordeel:

Deels waar

Oudere studies rapporteren inderdaad lage spijtcijfers, maar die cijfers gaan over een andere patiëntengroep, met strenge selectie, en kampen met korte follow-up en veel uitval. Voor de huidige, veel bredere groep jonge patiënten zijn betrouwbare spijtcijfers er simpelweg nog niet.

Waar komt het cijfer vandaan?

Het één-procent-cijfer komt uit reviews van operaties bij volwassen patiënten die vóór de behandeling jarenlang zijn gescreend, vaak onder de oude, strenge protocollen. Binnen die context is het cijfer op zich verdedigbaar. Het grootste overzicht — het Amsterdamse cohort van Wiepjes en collega's — betreft patiënten die vanaf 1972 in behandeling kwamen, in een tijdperk van intensieve psychologische screening, lange reële-leven-fases en strikte selectie.

Waarom het cijfer weinig zegt over nu

  • Andere populatie. De huidige instroom — veel tieners, overwegend meisjes, met late-onset dysforie en bijkomende problematiek — verschilt fundamenteel van de destijds onderzochte groep.
  • Spijt komt laat. Onderzoek laat zien dat spijt gemiddeld pas na 8 tot 10 jaar wordt gerapporteerd, terwijl de meeste studies een follow-up van enkele jaren hebben.
  • Uitval vertekent. In veel studies is 20 tot 60 procent van de deelnemers 'lost to follow-up'. Juist mensen die afhaken bij de kliniek — bijvoorbeeld omdat ze detransitioneren — tellen dan niet mee.
  • Detransitie wordt niet geregistreerd. Wie stopt, meldt zich zelden terug bij de kliniek; enquêtes onder detransitioners (Vandenbussche, 2021) laten zien dat de meesten hun oude zorgverleners nooit informeren.
  • Spijt is smaller dan detransitie. Veel studies tellen alleen wie formeel 'spijt' uitspreekt én de juridische of medische stappen terugdraait. Wie stopt met hormonen maar de kliniek mijdt, of wie de operatie betreurt maar er niet op terug kán komen, valt buiten de definitie.

Wat weten we wél?

Recente registratiestudies laten zien dat het aandeel jongeren dat binnen enkele jaren stopt met hormonen aanzienlijk hoger ligt dan het klassieke spijtcijfer suggereert; Britse en Amerikaanse verzekeringsdata komen uit op percentages tussen de 7 en 30 procent stakers binnen vier jaar, afhankelijk van groep en definitie. Hoeveel van hen 'spijt' hebben is onbekend — en dat is precies het punt: het wordt niet systematisch gemeten. Cohn (2023) concludeert dan ook dat het werkelijke detransitie- en spijtpercentage voor de huidige generatie eenvoudigweg onbekend is.

Conclusie

Het lage spijtcijfer is geen verzinsel, maar het wordt gebruikt voor een groep waarvoor het nooit is gemeten. Eerlijke voorlichting zou zeggen: voor de huidige generatie jonge patiënten weten we het nog niet — en zolang follow-up-onderzoek ontbreekt, is elke geruststellende schatting voorbarig. Deels waar.